Verklarende woordenlijst Manuele therapie

Verklarende woordenlijst

1. Arthrokinematica

Leer van de beschrijving van de lokale beweging in het gewricht (de intra-articulaire beweging van de botstukken onderling

2. Capsulair patroon

Een karakteristieke volgorde van bewegingsbeperkingen die kenmerkend is voor gewrichten wanneer er sprake is van een artritis. Elk perifeer gewricht kent een capsulair patroon als teken van artritis (Ombregt et al.,2003).

3. Conjunct rotation

Draaiing om de lengteas van een botstuk, die optreedt wanneer in de richting van de (maximally) close-packed position wordt bewogen vanwege de vorm van de gewrichtsvlakken en de sturing van de (intacte) collagene kapsel-bandstructuren. Conjunct rotation (osteokinematisch) treedt dus op bij ‘gekoppelde’ of ‘gedwongen’ intra-articulaire bewegingen (arthrokinematisch) (MacConaill en Basmajian, 1969).

4. Contactareaal

Het deel van het convexe gewrichtsprofiel dat in contact is met het concave gewrichtsprofiel (Oonk, 1988)

5. Functie

De fysiologische of mentale eigenschap van het menselijk organisme (WHO, 2002).

6. Glij

Een beweging van een concaaf botstuk ten opzichte van een convex botstuk, zodanig dat verschillende punten van de concave gewrichtspartner contact maken met één punt van de convexe gewrichtspartner. Synoniem: schuif (convex beweegt dan echter ten opzichte van concaaf).

7. Hypermobiliteit

Vergrote beweeglijkheid van een gewricht, waarbij van begin tot eind sprake is van een proportionele verhouding tussen rol- en schuifcomponent of schommel- en glijcomponent.

8. Immobilisatie

Vastzetten of onbeweeglijk maken van een gewricht. Bij deze beroepsopdracht wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende immobilisatietechnieken.

9. Instabiliteit

In de manuele therapie wordt onderscheid gemaakt tussen passieve instabiliteit en actieve instabiliteit.
Passieve instabiliteit (medisch begrippenkader). In het medisch begrippenkader is er sprake van een instabiliteit indien veranderingen in de anatomische structuur (congenitaal, traumatisch) een disproportionele translatie tot gevolg hebben.
Actieve instabiliteit (manueel-therapeutisch begrippenkader). In het manueel-therapeutisch begrippenkader is er sprake van een instabiliteit indien tijdens normaal bewegen de verhouding tussen rollen en schuiven of schommelen en glijden gestoord is. Deze functiestoornis is meestal reversibel en niet altijd (bij elke beweging of bij elke eindstand) aanwezig.


10. Kromtemiddelpunt

Het denkbeeldige middelpunt van de denkbeeldige cirkel die in het platte vlak voor een deel ‘past’ op een klein stukje gewrichtsoppervlak (Seroo, 1983).

11. Manipulatie (HVT)

Een passieve beweging van een botstuk ten opzichte van een min of meer gefixeerd botstuk met relatief weinig kracht en een hoge bewegingssnelheid over een relatief klein bewegingstraject. Met één impuls wordt geprobeerd de gewrichtsblokkering op te heffen. HVT = ‘high velocity and low thrust’ (hoge snelheid en ‘gecontroleerde’ impuls).

12. Mobilisatie

Het herstellen van de fysiologische bewegingsmogelijkheid van een gewricht. Het is een passieve beweging van een botstuk ten opzichte van een min of meer gefixeerd botstuk, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van een HVT-impuls, met het hierboven genoemde doel. De mobilisatie beweging kent diverse variabelen en even zovele modaliteiten.

13. Mobiliteit

Bewegingsvrijheid. Range of motion (ROM). (fysiologische) bewegingsmogelijkheid.

14. Momentaan rotatiecentrum

De afgelegde weg van een botstuk wordt opgedeeld in minuscule cirkelbanen. Elk stukje cirkelboog in het platte vlak heeft een bijbehorend middelpunt: het MRC (Seroo, 1983, Oonk, 1988).

15. Normaal

De loodlijn op het concave gewrichtvlak, getrokken vanuit het contactpunt met de convexe gewrichtspartner, en omgekeerd (Seroo, 1983).

16. Osteokinematica

Leer van de beschrijving van de globale perifere bewegingsbaan van een botstuk ten opzichte van een ander botstuk waarmee het articuleert. Bij de beschrijving wordt gebruikgemaakt van een orthogonaal (het gangbare rechthoekige) en een driedimensionaal assenstelsel (met de x-, y- en z-as).

17. Passief bewegen

Het van plaats veranderen van het lichaamsdeel door een gewrichtsbeweging die tot stand komt door een kracht van buitenaf.

18. Proteoglycanen

Grote suikereiwitmoleculen die voor een groot deel de matrix van het collagene bindweefsel en kraakbeen vormen. Ze zijn negatief geladen en binden vooral water (De Morree, 2008).
19. Pure swing

Cardinal swing. Een beweging van een botstuk om een enkele as die loodrecht staat op de lengteas van het botstuk. Hierbij treedt geen ‘conjunct rotation’ op. Het is een ideale zwaai- of slingerbeweging (MacConaill en Basmajian, 1969)

20. Remobilisatie

De periode na immobilisatie

21. Rol

Een beweging van een convex botstuk ten opzichte van een concaaf botstuk, met een zodanige contactareaal verplaatsing dat op beide botstukken eenzelfde afstand wordt afgelegd (Oonk, 1988).

22. Rol-glij beweging

Dit is de ‘verzamelnaam’ voor ‘rol-schuifbeweging en schommel-glijbeweging’. Een beweging van een convex botstuk op een concaaf botstuk (en omgekeerd), waarbij steeds een volgend stukje contactareaal van convex contact maakt met een kleiner stukje contactareaal op concaaf. Bij een volledige bewegingsuitslag maken alle punten van convex contact met alle punten van concaaf, waarbij meer dan één punt van convex in contact komt met één punt van concaaf. Immers, het convexe gewrichtsoppervlak is altijd groter dan het concave gewrichtsoppervlak (definitie gebaseerd op tweedimensionaal model).

23. ROM

Range of motion. Bewegingsuitslag.

24. Rotatie

Een beweging waarbij op ieder moment van de beweging een lijn aanwijsbaar is die niet beweegt (v = o). Deze lijn hoeft niet vast te zijn, kan van moment tot moment verschillen en wordt het momentane rotatiecentrum (MRC) of instantanious axis of rotation (IAR) genoemd (Seroo, 1983; Oonk, 1988)

25. Schommel

Een beweging van een concaaf botstuk ten opzichte van een convex botstuk, met een zodanige contactareaal verplaatsing dat op beide botstukken eenzelfde afstand wordt afgelegd (Oonk, 1988).

26. Schuif

Een zodanige beweging van een convex botstuk ten opzichte van een concaaf botstuk dat een punt van convex contact maakt met verschillende punten van concaaf (Oonk, 1988).

27. Spanning-verlengingsdiagram

Als bijvoorbeeld op een ligament trekkrachten worden gezet, ontstaan er trekspanningen in dit ligament. Door deze trekspanning gecontroleerd te laten toenemen, vervormt het ligament. In eerste instantie wordt het ligament opgerekt, daarna ontstaan er vormveranderingen en treden er progressief beschadigingen op. Ten slotte scheurt het ligament. Een grafische weergave van het verband tussen de grootheden lengte en (trek)spanning is het spanning-verlengingsdiagram.

28. Spin

Osteokinematische beschrijving van een ‘draai’-beweging waarbij elk punt van het bewegende botstuk een cirkelvormige baan beschrijft, waarvan het middelpunt de normaal is (Oonk, 1988).

29. Substance-P

Neuroproteïne, weefselprikkelstof. In de jaren zeventig werden veel neuroproteïnen ontdekt. De naamgeving was niet ‘origineel’. Ooit is men begonnen met substance-A. over substance-P is relatief veel bekend.

30. Swing

Een beweging waarbij een hoekverandering ontstaat tussen de lengteassen van de botstukken die samen het gewricht vormen. Ook:‘zwaai- of slingerbeweging’(MacConaill en Basmajian, 1969).

31. Tol

Een arthrokinematische beschrijving van een beweging waarbij één punt van het bewegende botstuk steeds in contact is met één punt van het stilstaande botstuk. Alle andere punten van het contactareaal glijden over elkaar in cirkelbanen rond dat punt. Dit gebeurt bijvoorbeeld intra-articulair in het humeroradiale gewricht tijdens pro- en supinatie. Bij het gebruik vandit begrip wordt geen onderscheid gemaakt tussen concaviteit en convexiteit (Oonk, 1988).

32. Tractie

Een (over het algemeen rechtlijnige) beweging van een botstuk ten opzichte van een gefixeerd botstuk in de richting van de ‘normaal’ door het actuele raakpunt van beide gewrichtspartners. Het is dus een bijzondere vorm van het biomechanische begrip translatie (Seroo, 1983).

33. Translatie

Een beweging waarbij alle punten van een lichaam in dezelfde tijd eenzelfde weg afleggen in de ruimte. Alle punten van het lichaam blijven gedurende deze verplaatsing steeds ‘evenwijdig’ aan elkaar. In de klassieke manuele therapie wordt onder translatie het onderling evenwijdig aan elkaar verschuiven van twee botstukken verstaan (met een diagnostisch of therapeutisch doel) Seroo, 1983).